De overgang van dag naar nacht voltrekt zich zonder ophef. Terwijl de dag wegebt, verdwijnen de laatste stemmen van de dag uit het huis. Wat net nog klonk, valt terug tot stilte.

Daarna volgt een herkenbaar moment dat de grens markeert: de voordeur die nog een keer zacht in het slot valt. Geen harde klap, maar een gedempte afsluiting die aangeeft dat de dag echt voorbij is.

Vanaf dat ogenblik wordt het stiller. De geluiden die er nog waren, vlakken af. De stilte verdiept zich, niet abrupt maar gestaag.

Het begin van de nacht dient zich daarmee niet nadrukkelijk aan; het gebeurt bijna onopgemerkt. De nacht zet in zonder rumoer, precies zoals ze in het hospice vaak begint.

In dat stille moment wekt het gebouw de indruk even uit te ademen. Alsof het huis zelf, na de dag, kort tot rust komt.

Zo wordt, vaak ongemerkt, de nacht ingeluid: eerst verstommen de stemmen, dan sluit de deur zacht, en ten slotte rest de stilte. Het is een vast patroon dat de sfeer van de nacht in het hospice kenmerkt.